|
TCP/IP-configuratie
Afhankelijk van uw lokale netwerk, kunt u kiezen uit twee methoden voor het configureren van de TCP/IP-instellingen:
| Veld |
Beschrijving |
| IP—adres automatisch verkrijgen via DHCP |
Als uw netwerk DHCP ondersteunt, gebruikt dit systeem automatisch DHCP-protocol om aan het IP-adres en verwante informatie te komen.
|
| Statisch IP-adres gebruiken |
De toegewezen IP-adresinstellingen gebruiken. |
Als u het statische IP-adres wilt gebruiken, moet u de volgende velden invullen:
| Veld |
Beschrijving |
| Vast IP-adres |
Het IP-adres is een 32-bits getal dat een eenheid in een netwerk van alle andere eenheden onderscheidt. Het IP-adres bestaat uit vier groepjes van acht bits elk met een punt ertussen (b.v. 192.168.0.1).
|
| Subnetmasker |
Het subnetmasker dient om computers binnen één netwerk te definiëren. Het subnetmasker is eveneens een getal van 32 bits, b.v. 255.xxx.xxx.xxx)
|
| Standaard gateway |
Een gateway is het punt waar twee netwerken, b.v. een LAN en WAN, informatie met elkaar uitwisselen.
Als het gateway-adres niet geconfigureerd hoeft te worden, vult u hier "0.0.0.0" in. |
| DHCP-server inschakelen |
Als uw netwerk niet over een DHCP-server beschikt, kunt u deze optie inschakelen om de clients IP-adresinstellingen te verschaffen.
|
| IP-beginadres |
Het eerste IP-adres dat dynamisch voor de DHCP-service wordt toegewezen. |
| IP-eindadres |
Het laatste IP-adres dat dynamisch voor de DHCP-service wordt toegewezen. |
| Leasetijd |
Geef hier de leasetijd voor het dynamische IP-adres op. |
| Primaire DNS-server |
Als een systeem uw computer een IP-adres toekent, wordt tevens het adres van de primaire DNS-server gespecificeerd.
|
| Secundaire DNS-server |
Als een systeem uw computer een IP-adres toekent, wordt tevens het adres van de secundaire DNS-server gespecificeerd.
|
Als u de systeeminstellingen wilt veranderen, selecteer dan de opties hierboven en klik op de knop [Toepassen].
Microsoft Networking
| Veld |
Beschrijving |
|
Bestandsservice voor Microsoft Networking inschakelen |
Om gebruikers van Microsoft Windows toegang tot gedeelde mappen in het netwerk te geven, moet u deze service inschakelen. Als dit is gebeurd, moet u nog een werkgroep toewijzen. De naam van een werkgroep mag 15 tekens lang zijn. De volgende tekens zijn echter niet toegestaan: " + = [ ] , ; / \ : | * ? < > . " N.B.: de naam mag ook niet met een punt (.) beginnen. |
| WINS-server inschakelen |
Als uw lokale netwerk niet over een WINS-server beschikt, kunt u deze optie selecteren. Met behulp hiervan kunt deze server gemakkelijk in de Windows-netwerkomgeving terugvinden. |
| Opgegeven WINS-server gebruiken |
Als er al wel een WINS-server in uw netwerk is geïnstalleerd, kunt u hier het IP-adres daarvan opgeven. Als u de WINS-server niet wilt gebruiken, vult u hier alleen nullen in. |
Klik op de knop [Toepassen] om deze instellingen te bevestigen.
Apple Networking
Deze optie moet worden ingeschakeld voor Apple Macintosh-besturingssystemen.
Als u een uitgebreid AppleTalk-netwerk met meerdere toegekende zones hebt, moet u hier een zonenaam opgeven. Deze zonenaam mag niet langer zijn dan 15 tekens. De volgende tekens mogen niet worden gebruikt: " + = [ ] , ; / \ : | ? < > . " Als u geen netwerkzone wilt toekennen, vult u een sterretje (*) in. De standaardinstelling is een sterretje (*).
Als u deze instellingen wilt gebruiken, klikt u op de knop [Toepassen].
NFS-service
Voor gebruikers van Unix- en Linux-besturingssystemen moet u de NFS-service starten.. Dit systeem ondersteunt NFS versie 2.0 / 3.0. Om NFS te kunnen gebruiken, moet u verder alle gebruikers een UID en een IP-adres geven. Selecteer Gebruikersbeheer · Gebruikers · NFS-instellingen om deze instellingen te configureren.
Klik op de knop [Toepassen] om deze instellingen te bevestigen.
NetWare Service
Deze service moet u inschakelen voor gebruikers van Novell NetWare.
Deze server fungeert dan als een gewone bestandsserver van Novell NetWare 3.12.
| Veld |
Beschrijving |
|
NetWare-service activeren |
Schakel deze service in als u dit systeem als NetWare-bestandsserver wilt gebruiken. |
| Servernaam |
Geef hier de servernaam voor het NetWare-netwerk op. |
Nadat u de NetWare-service hebt geactiveerd, klikt u op de tab Geavanceerd. Hier kunt u de volgende opties configureren:
| Veld |
Beschrijving |
|
Frametype |
Als er een Novell NetWare-server in uw netwerk aanwezig is, moet u hetzelfde frametype als dat van de server kiezen. |
|
Intern netwerknummer |
Het nummer van het interne netwerk is een uniek nummer waaraan deze server in een NetWare-netwerk herkend wordt. Als de optie 'Automatisch configureren' is geselecteerd, wordt automatisch het IP-adres ingesteld. U kunt ook zelf een uniek netwerknummer opgeven. |
|
Extern netwerknummer |
Het unieke nummer voor een logisch netwerksegment in een NetWare-netwerk. U kunt dit nummer automatisch laten configureren, of u kunt zelf het nummer opgeven dat correspondeert met de configuratie van uw netwerk. |
Klik op de knop [Toepassen] om deze instellingen te bevestigen.
Webservice
Deze server biedt u de mogelijkheid uw bestanden weer te geven en te beheren via een webbrowser. Als het systeem met het Internet is verbonden en een openbaar IP-adres gebruikt, zijn uw bestanden overal ter wereld via een Webbrowser toegankelijk.
Klik op de knop [Toepassen] om deze instellingen te bevestigen.
FTP-service
Als u de FTP-software wilt gebruiken om toegang te bieden tot gedeelde netwerkmappen, moet u deze eerst activeren.
| Veld |
Beschrijving |
|
Poortnummer |
Het voor de FTP-service gereserveerde poortnummer. Het standaard poortnummer voor de FTP-service is 21. |
| Maximumaantal verbindingen |
Het maximumaantal clients dat tegelijkertijd een FTP-verbinding kan hebben. |
Klik op de knop [Toepassen] om deze instellingen te bevestigen.
Netwerkinstellingen bekijken
Vanaf deze pagina kunt u de volledige configuratie van uw netwerk en de instellingen voor de verschillende netwerkservices bekijken.
Met de knop [Sluiten] gaat u terug naar de vorige pagina.
|